De tweede kerkdienst, een blijvertje?

Onder de titel Veranderingen vragen om creativiteit is op zijn eigen website het verslag te lezen van de lezing die ds. Wim van der Schee pas in Zwolle heeft gehouden over de tweede eredienst. Daarin geeft Wim een aantal stellingen om de gedachtevorming rond de praktijk van de – in de meeste gereformeerde kerken bestaande – tweede kerkdienst te stimuleren. Een paar opmerkingen vanuit de praktijk van een kerkgemeenschap op de grens van stad en platteland (Hoofddorp dus).

Bij de eerste stelling van VdS – veranderingen vragen om creativiteit – stelt hij vast dat er de facto niet langer sprake is van een gedeelde visie op zondag en kerkdienst. Ik ben dat met hem eens. Er bestaan in onze praktijk veel goede redenen voor het blijven organiseren van een tweede samenkomst. De tweede kerkdienst is nog steeds een gemeente-activiteit (en dus geen doelgroependienst, zie de tweede stelling van VdS) hoewel de opkomst, om verschillende redenen, duidelijk lager is dan ’s ochtends. Zo is er, juist ’s middags (vanwege het tijdstip?) aanloop van gasten. Geen hordes, maar toch. Ook is er – dat schrijft Wim ook – volgens mij veel reden om onderwijs te geven over de leer van de kerk in zgn. leerdiensten. De hoofdstructuur van de Heidelbergse catechismus (geloof, gebod, gebed) is daarvoor in veel gevallen heel geschikt.

Toch ontbreekt een gemeentebrede visie op de invulling van zondag en kerkdienst. Voor de één is de zondagsrust eenvoudigweg niet (of minder) volmaakt wanneer niet de hele gemeente op zondag twee keer samenkomt in een officiële kerkdienst – nog even los van de vraag wat dat dan precies zou moeten zijn. Soms puur uit gewoonte. Soms ook op grond van de opvatting dat de huidige praktijk een gebod is dat rechtstreeks uit de Bijbel voortvloeit (vaak met een beroep op Hebreeën 10). Voor anderen komt daar nog bij de gedachte dat het mooi is om als gemeente van Christus de dag te beginnen én ook weer af te sluiten in de kerk(dienst). Weer anderen vinden het waardevol dat er elke week onderwijs is en geleerd wordt: een soort gemeente-breed catechisatiemoment. De meeste gemeenteleden leven met een mengeling van bovenstaande overtuigingen, schat ik in.

Er zou meer over te zeggen zijn. Ik merk in ieder geval verder dat, hoewel de motivatie verschilt, de meesten het gewoon fijn vinden om inhoud te geven aan de praktijk van samen-geloven, o.a. door op zondag twee keer naar de kerk te komen. Maar ook door bijvoorbeeld zo nu en dan (in een kleine gemeente kan dat) samen te eten. En andere dingen te doen. Dat is mooi en waardevol als het tenminste lukt om het samen ook zo te beleven. En niet als rechtstreeks uit de Bijbel voortvloeiende verplichting om het altijd allemaal precies zo te doen. Onder het motto ‘onderzoek alles, behoud het goede’ (1 Tess. 5:21) zou ik in onze situatie dan ook zeggen: vooral blijven doen, maar dan wel vanuit die houding / dat motto en de ontspannen creativiteit die zoekt naar datgene dat nuttig is voor de gemeente, tot eer van God. Daarbij zullen fouten gemaakt worden – en hopelijk weer terugveranderd als dat nodig is. Niet de vorm maar het doel is heilig.

Een tweede opmerking. In de bespreking van de op-een-na-laatste laatste stelling van VdS (veranderingen moeten deel uitmaken van een breder kerkenraadsbeleid) proef ik enige bezorgdheid over het ontbreken daarvan. Ik kan daar als predikant over mee praten. Doordat ik regelmatig, vooral ’s middags, ruil met collega’s valt dit extra op. Er zijn kerken die opereren vanuit de gezamenlijke – maar vaak niet expliciet verantwoorde – visie dat ’s middags wordt onderwezen in de leer van de kerk. Soms hechten zij daarbij ook aan de precieze volgorde van de vraag- en antwoorden van de catechismus. Nog even los van de vraag hoe dit in de praktijk uitwerkt (veel catechismusdiensten/preken zijn geen leerdiensten/preken): zolang deze overtuiging echt gedeeld wordt, en in een aantal kerken is dat zo, juich ik dit van harte toe en ik doe er graag aan mee.

In andere kerken is deze praktijk, mede door niet-doordacht ruilbeleid, veranderd en (mee daardoor?) is een gezamenlijke overtuiging over het nut en de invulling van met name de middagdienst gaan ontbreken. Soms komt daar iets anders voor in de plaats – een maandelijkse gastendienst bijvoorbeeld – maar meestal niet. Gevolg: ik kom ’s middags met een ‘brokje’ catechismus of met wat ik ’s morgens deed in mijn eigen gemeente naar een voor mij grotendeels vreemde gemeente in een voor mij vreemde plaats. Het zelfde geldt voor de collega waarmee ik ruil en die voorgaat in mijn thuisgemeente. Mede onder invloed van de afspraak dat veel predikanten tegenwoordig nog maar één keer preken in de eigen gemeente en de andere dienst ruilen, zijn morgen- en middagdienst veel meer dan vroeger op elkaar gaan lijken. Dit roept bij sommigen vragen op. Die vragen stuiten op verzet bij anderen. Weer anderen stemmen met de voeten. Dit zorgt voor een onvruchtbare sfeer waarin een goed gesprek en bezinning op dit onderwerp onnodig moeilijk is.

Wat ik graag zou willen? Een open en eerlijk gesprek hierover; een ontspannen en creatieve omgang met vragen over en/of invulling van de zondagse diensten; breder beleid (van de gemeente); meer samenwerking met andere gemeenten in vergelijkbare situaties;  waardering van wat is, want er is veel moois!; nieuwsgierigheid naar wat er zou kunnen zijn. Laten we er wat moois van (blijven) maken!